Dag 10: weinig wind
Woensdag 9 april 2008
Zoals ik al eerder zei is de Noorderzon een zware boot voor z’n lengte. Dat betekent comfortabel gedrag in zeegang en makkelijk alleen te varen, want hij waait niet snel weg als je even iets moet doen met landvasten of stootwillen. Om het gewicht te compenseren staat er vrij veel zeil op voor z’n lengte (33 vierkante meter). Over de aandewindse eigenschappen van een kottertuigage schreef ik ook al: erg hoog ga je niet en de lange ondiepe kiel helpt daar ook niet bij.
Bij kruisen met de Noorderzon moet je het niet van de hoogte maar van de snelheid hebben. Boven windkracht 4, als je aan de wind de kluiver wegrolt, gaat dat prima. Bij minder wind moet de kluiver erbij anders kom je niet vooruit, maar moet je dus de tijd hebben. Als het mooi weer is, heb ik daar geen enkel probleem mee. Zeilen betekent voor mij niet de snelste manier om van A naar B te komen, maar de aangenaamste/mooiste. Niet de eindbestemming maar de reis zelf vormt het doel.
Vandaag stond er aanvankelijk heel weinig wind: 1-2 uit een zuidelijke richting. Ik wilde van Hindeloopen naar Enkhuizen dus dat was er recht tegenin. Met zo weinig wind heeft kruisen geen zin, dus eerst maar eens op de motor. Niet te hard, 4 knopen is mooi en houdt het geluid binnen de perken.

Ter hoogte van het Vrouwenzand (je weet wel van het vrouwtje van Stavoren!) nam de wind toe tot 2-3 en kromp hij naar zuid-oost. Direct zeilen hijsen en verder kruisen naar Enkhuizen. De kunst is om bij dit lichte weer de zeilen goed te trimmen. Grootzeilval niet te strak doorzetten en de schoot niet te strak aan, zodat er bolling in het zeil blijft. Ook de onderlijkstrekker moet niet te strak. De richtlijn is: hoe meer wind, hoe strakker alles, dan wordt het zeil vlakker en reageert het beter op de harde wind.

Hetzelfde geldt voor de voorzeilen de fok en de kluiver: als je de fok teveel dichttrekt gaat hij het grootzeil tegenwerken en op dezelfde manier geldt dat voor de werking van de kluiver op de fok. Zoals je op de foto kunt zien lopen de achterlijken van beide voorzeilen parallel.
En dan moet je niet te hoog willen lopen, want dan gaat onmiddellijk de druk uit de zeilen en de vaart uit de boot. Je voelt het aan de helmstok. In het begin moesten we hier erg aan wennen, want we waren onze superlichte snelle hooglopende maar instabiele en zeer zee-onwaardige New Classic gewend.
Op deze manier haal je aan de wind met dit lichte weer nog makkelijk 4 knopen en dat is heel netjes. Met halve wind loopt hij ook nog lekker, maar met ruime en vooral voor de wind is dit lichte weer niets voor de Noorderzon, dan is hij niet vooruit te branden.
Voor deze lichtweer koersen heeft mede North Beach zeiler Jur Pels een genaker aangeschaft: een kruising tussen een genua en een spinaker, maar in ieder geval een groot lichtweer zeil dat je mooi aan de boegspriet kunt voeren. Dat scheelt een knoop snelheid (= zeemijl per uur), zo merkten we toen Jur ons een keer voor de wind voorbij schoof.
Zo kwamen we tot 2 mijl voor Enkhuizen, toen hield de wind er helemaal mee op. Laatste stukje maar weer motoren. Helaas, want er gaat niets boven het bruisende water bij de boeg en het gegorgel bij de kont.

Het oude vuurtorentje bij de Ven, één van de hoeken in de IJselmeerkust. Vroeger een belangrijk baken om van Medemblik of het eiland Wieringen naar Enkhuizen te komen.